Ontvangt u de Nieuwsbrief al?   Klik hier om in te zien en meld u aan via het contactformulier

 

Oud Nieuws uit het Museum

onder deze titel verschenen van de hand van Peter Sluisman een reeks artikelen  over bijzondere objecten, die het museum recentelijk verworven heeft. Deze artikelen werden reeds eerder gepubliceerd in het ledentijdschrift van de Vereniging Oud Edam.

 

   foto Will Tjoa  foto

 

 

Schokkend oud nieuws uit het museum

Het is niet de eerste keer dat ik schrijf aan de hand van een scherf. Ook deze keer was het min of meer toeval dat ik de scherf tegenkwam. Open Monumentendag 2014 had ik het voornemen om het cachot in het museumdepot van het stadhuis weer eens open te stellen voor belangstellenden. Voor zo'n monumentendag moet het toegankelijk zijn en opgeruimd. Zo stond er een doos met allerlei scherven, brokstukken, pijpenkoppen en dergelijke uit een vervlogen tijd. Allemaal in Edam gevonden. De scherf die ik in deze doos tegenkwam draagt het jaartal 1692 en een gedeeltelijke tekst `den 18 septemb...'

Het is echter geen datum die onmiddellijk doet denken aan het begin van een oorlog of het sluiten van vrede. Toch kwam die mij niet helemaal onbekend voor. Ik ben nog een man van de boeken, zo vond ik een artikel dat het hele verhaal vertelde.

Aardbevingen zijn tegenwoordig schering en inslag in het noorden van ons land, maar tot enige jaren geleden kwamen er in Nederland geen aardbevingen voor. Op 18 september 1692 omstreeks 14.30 uur voelde men tot verbijstering van een ieder een geweldige aardschok die in het hele land gevoeld werd. Het epicentrum lag in de buurt van Luik-Verviers-Aken en had een geschatte kracht van 6,3 op de schaal van Richter en werd tot vierhonderd kilometer van het epicentrum gevoeld.

Koning-Stadhouder Willem III was in dat jaar op militaire campagne in de Zuidelijke Nederlanden. Christiaan Huygens beschreef de aardbeving zoals hij die voelde op Hofwijck bij Den Haag : "De stenen vloer waarop ik stond werd enigszins opgetild en zakte weer in en dat enige malen gedurende ongeveer tien of twaalf seconden." In Roermond stortten de gewelven van de Minderbroederkerk in. Ook in Amsterdam werd de schok gevoeld. Zelfs in het Engelse graafschap Kent werd schade gemeld..

Naast vele schriftelijke documenten over deze uitzonderlijke gebeurtenis zijn er in Delft speciale herinneringsborden gemaakt met tekst. In 1985, 1988 en 2013 werden in het centrum van Breda enkele fragmenten gevonden van drie tekstborden met een opschrift dat verwijst naar deze aardbeving. De complete, gerconstrueerde tekst luidt "1692 den 18 september wasser aerdbevingh overal." Opvallend is dat één bord een afwijkende tekst heeft. In 1988 werd er aan de Haagdijk in Breda een compleet bord gevonden met dezelfde enigszins afwijkende tekst. In 2013 werd bij opgravingen nog een bord gevonden. Tezamen met nog enkele scherven, gevonden in Breda en een redelijk compleet bord in Jisp, alsmede een vrij grote scherf in het streekmuseum in Hattem, is het aantal tot nu toe bekende aardbevingsborden gekomen op zeven. Als er dus maar zeven van deze borden zijn overgebleven beginnen we toch met andere ogen naar onze scherf te kijken.

 foto collectie Sieuwers

 

 

Het hek van de dam

Op de lagere school vertelde een meester ons, dat het hek van de banken op de damsluis niet kon roesten en dat de smid zijn geheim had meegenomen in het graf. Als kind vond je dat een spannend verhaal. Later las ik dat het hek afkomstig zou zijn van het middeleeuwse stadhuis dat stond op de plek waar nu de Lutherse kerk staat. Ik realiseerde mij dat ik -net als vele Edammers- bijna nooit op die banken zat. Opeens viel mijn oog op een cijfer dat in het ijzer stond gegraveerd, het cijfer 6 en even verder een 9. Ik liep naar de andere kant, de kant van het Damhotel, en daar zag ik de cijfers 1 en 5. 1569 dus. Aan de overzijde van de Dam trof ik hetzelfde jaartal 1569. Het ijzeren hek op de Dam is dus gedateerd. Ik herinnerde mij een mapje uitgegeven door Oud Edam en de VVV, met mooie tekeningetjes van Jan Bouman, unieke illustrator, die een aantal boeken heeft uitgegeven met de titel "Het merckwaerdigste meyn bekent" Op blad nummer 7 van dat mapje staat inderdaad het Damhek en Bouman schrijft dat werd verteld dat het nooit kon roesten en dat het hek zeker twee eeuwen ouder moest zijn dan de Dam, want op de sluitsteentjes in de Dam staan de jaartallen 1795 en 1798. Verder vermeldt hij dat het hekwerk aan de westzijde (de kant gericht naar de speeltoren) gedateerd is 1596. Hij draait het jaartal om en rept niet over de andere zijde.

Terug naar de gedachte dat de hekken afkomstig zouden zijn van het vroegere stadhuis. Dat oude stadhuis werd in 1547/48 gebouwd, ongeveer terzelfder tijd als het huidige museum. Dat men dan in 1569 een paar banken met gesmede leuningen voor het stadhuis plaatste lijkt aannemelijk. Werden dergelijke banken niet bij de bouw al gemaakt? Waarom dan banken met verschillende ornamenten? In het boekje "Het huis met de Swaan" van Corrie Boschma-Aarnoudse en M.A.van der Eerden-Vonk staan zeven afbeeldingen van het oude stadhuis. Op vier afbeeldingen zien we banken met, op drie afbeeldingen banken zonder ijzeren leuningen. Dit zegt op zich niet alles want tekenaars en graveurs werkten niet altijd fotografisch. Maar het zijn allemaal afbeeldingen net voor de sloop van het oude stadhuis. En inderdaad lijkt dit hekwerk overeenkomsten te hebben met het hekwerk op de Dam. De gedachte is daarom niet zo vreemd dat men aannam dat dit hekwerk gebruikt zou zijn voor de Dam. Dergelijk mooi smeedwerk kostte geld en in 1737 toen het huidige stadhuis gebouwd en het oude gesloopt werd, was er weinig geld, dus weggooien deed men niet zo gauw. Tot zover zou je kunnen denken dat het hekwerk van de Dam van het oude stadhuis afkomstig zou kunnen zijn. Er blijven dan toch nog een paar losse eindjes over.

In het proefschrift "Tot verbeteringe van de neeringe deser Stede" van Corrie Boschma-Aarnoudse, wordt vermeld "De banken op de vrouwensluis (huidige Dam) werden vervangen door weeg- en visbanken met ijzeren leuningen, zoals wij die nu nog kennen. Roelof Dircsz Smit kreeg hiervoor 65 gulden uitbetaald.

In de stadsrekening las ik dat in 1569 door een zekere Jan Claesz Maechels aan bout voor de leuningen aan de vrouwebrug , in den toren, aan de weegh en visbanken en de anders was geleverd en dat er aan Roelof Dircsz Smit was uitbetaald aan ijzerwerk. Het jaartal van de rekeningen klopt met de datering op het ijzerwerk. De verschillen in ornamentatie en details, zoals knoppen aan de ene kant en hoedjes aan de andere kant lijken nu beter verklaarbaar. In vele steden waren er visbanken aan weerszijden van een water. De ene kant was dan voor de Poorters en de andere kant voor de buiten-Poorters. Helaas bestaan er geen duidelijke tekeningen of gravures van de visbanken. Maar dit is aannemelijker dan de veronderstelling dat het ijzerwerk van de banken van het oude stadhuis afkomstig is. Het gesmede hekwerk voor het oude stadhuis heeft daar in elk geval tot 1737 gezeten, gezien de afbeeldingen. Het enige wat we nu zeker weten is dat de ijzeren leuningen gedateerd zijn en passend gemaakt. De smid heeft door middel van stippen aangegeven hoe de delen aan elkaar gesmeed/ geweld moesten worden.

Blijft nog steeds de vraag hoe het kan dat het ijzer niet kon roesten. Het schijnt dat dit ijzer een hoog koolstofgehalte blijkt te hebben en dus minder snel roest. Waarschijnlijk is dit toeval want ijzer werd in die tijd geïmporteerd uit o.a. Duitsland. Er zijn ook geen andere ijzerwerken bekend in Edam met deze bijzondere eigenschap.

Twee klaptafels

De tafel is in (woon)kamer of keuken een onmisbaar element, middelpunt van het gezinsleven. Onmisbaar ook in veel beroepen. In de 17e en de 18e eeuw stond in de woonkamer van de gegoede burgerij veelal te midden van andere zware eikenhouten pronkmeubelen een grote tafel met bolpoten en uitschuifbaar blad. Maar daarnaast was er ook behoefte aan wandtafels en een soort bijzettafel, de klaptafel. Die waren er in velerlei uitvoeringen. Minder van kwaliteit en goedkoper. Lichte, makkelijk verplaatsbare meubelen, vaak voorzien van een typische kleurrijke beschildering. Volkskunst op zijn best, vertellend over het karakter en de aard van de streek. Het Edams museum bezit ook van die meubelstukken.

In de Zaanstreek werd in het midden van de 17e eeuw de oerklaptafel op drie poten ontwikkeld, waarvan een poot kon worden ingeklapt. Het blad was meestal achtkantig. De versiering bestond aanvankelijk uit snij- en steekwerk. Later gecombineerd met kleurrijke beschilderingen, terwijl weer later het snijwerk beperkt bleef tot de poten. De vroege tafels werden uitgevoerd in eikenhout. Een van de tafels uit ons museum voldeed aan die beschrijving van een vroege eikenhouten tafel, behalve dan dat het blad twaalfkantig was. Bijzonder waren het jaartal 1672 en de rebus Jan Muis en Bet Beer op de onderkant. Jaartal en rebus deden vermoeden dat het hier om een huwelijksgeschenk ging, van een echtpaar uit Monnikendam.


foto collectie EM

 

Lelijk eendje

In de keuken van ons (museum) koopmanshuis stond tot drie jaar terug een achttiende-eeuwse geschilderde tafel van zacht hout, met een van oorsprong Engelse constructie, een zogenoemde gate-leg table. Een smalle tafel op vier poten met twee aan weerzijden neerhangende bladen. De Engelse gate-leg table is nooit beschilderd en meestal van eikenhout, de Hollandse is vrijwel altijd beschilderd en van zacht bout. De klaptafel uit ons museum werd al in 1903 aangekocht en heeft waarschijnlijk al die tijd in de keuken gestaan. Het ene blad is beschilderd met schepen op zee, het andere met een landschap met koeien. Het geheel is opgevuld met rocailles en krullen zoals dat in de achttiende eeuw de mode was.

Een van de conservatoren van het OLM erbij gehaald om even te kijken naar onze versleten beschilderde tafel. Nadat wij de tafel uit het depot op een goede plek hadden neergezet, was het enige tijd stil. Zijn reactie was letterlijk " als ik een gebit gehad had was het er nu uitgevallen. Ik moet het nog even nakijken, maar het zou zo maar kunnen dat dit de enige tafel in Nederland is". "De enige tafel in Nederland?" vroeg ik. "Ik weet dat het Zaans museum ook zo'n geschilderde tafel heeft en uw eigen museum bezit er ook een paar". "Ja, dat klopt, antwoordde hij, maar dit is waarschijnlijk het enige exemplaar dat nooit is bijgeschilderd of overgeschilderd en dat maakt het uniek. Enige dagen later mailde hij dat deze tafel inderdaad de enige in Nederlandse musea is die nog origineel was, dus zijn oorspronkelijke beschildering nog had. Tevens gaf hij een aantal adressen van specialisten die de tafel konden behoeden voor verder verval.


foto collectie EM


Schijn bedriegt

De fraaie zeventiende-eeuwse eiken klaptafel uit Monnikendam die origineel en kostbaar leek, maar waarvan het blad later was gemaakt, moesten we een bescheidener plaats geven. Maar de tafel die er niet uitzag blijkt een topstuk. Hij is te bewonderen in het oudste stenen huis van Edam, Damplein 8, eerste etage.

Thoramantel

collectie EM

 

Onlangs bracht ik een bezoek aan de Portugese Synagoge in Amsterdam die pas is gerestaureerd en het tegenover liggende Joods historisch museum. Daar viel mijn oog op een aantal rijkversierde Thora mantels.( Thora = Wet). Een Thoramantel is een beschermende hoes over de Thora rol. Het duurde even maar op een gegeven ogenblik herinnerde ik mij een ondefinieerbaar stuk textiel bij ons in het depot. Het leek er toch verdacht veel op, niet zo rijk versierd, maar mijn nieuwsgierigheid was gewekt.

Thuisgekomen onmiddellijk naar het museumdepot en de rok zonder opening nog eens goed bekeken. Nog eens een paar goede foto’s genomen en gemaild naar het Joods historisch museum met de vraag of dit een Thoramantel was. Ik kreeg de volgende dag een mailtje van mevrouw Faber, (hoofd collecties) zij vertelde mij dat het object veel gelijkenis vertoonde, maar dat er bovenin een gat moest zitten om de stok van de Thorarol door te laten. Boeken werden erbij gehaald en zo kwamen we tot de conclusie dat het wel degelijk een Thoramantel was, maar gebruikt door Sefardische Joden. Bij deze groep Joden kwamen Thoramantels ook wel voor zonder opening aan de bovenkant.

Sefardische Joden kwamen van oorsprong uit Portugal en Spanje, ze waren meestal gevlucht voor de inquisitie in de 16e , 17e eeuw. De vraag die nu onmiddellijk naar voren kwam was, waren er in Edam Sefardische Joden en hoe kwam zo’n mantel nou in het depot van het Edams museum terecht.

De eerste melding in Edam komt uit november 1641: Samuel Abrahamsz krijgt toestemming om tot mei 1642 inEdam te mogen wonen. Dan is het lang stil, pas in 1722 krijgt Moses Morino Monsanto een Portugese Jood , toestemming om zich te vestigen. Het ging allemaal wat moeizaam, want zo tolerant waren we nu ook weer niet, als er flink wat protest kwam uit de bevolking werd de toestemming om zich te vestigen zo weer ingetrokken. Kennelijk mochten alleen Joden van buiten op gezette tijden handel drijven in de stad, want in 1770 klaagde weer een aantal winkeliers dat Joden en vreemdelingen zodanig handel dreven dat zij bang waren voor te grote concurrentie. Het gevolg was een extra belasting van stadswege voor deze groepen.

In 1779 zijn er voldoende Joodse gezinnen ( minstens 10 mannen) om diensten te houden.

De plaatselijke synagoge was op verschillende locaties bij de mensen thuis. Er zal ook een Thora rol geweest zijn, zo’n rol was een kostbare aangelegenheid, het laten maken van een Thora rol kostte ongeveer 1 jaarsalaris van een vakman. Vandaar dat men er zeer zuinig mee omging en na de dienst een beschermende mantel aanbracht. Op 29 april 1791 berichtten Moses en Marcus Berlijn een synagoge in te richten op het Noorderagterom (een achtervertrek). Na een verbouwing werd in augustus 1791 dit gebouw als synagoge in gebruik genomen. Deze heeft stand gehouden tot 1886. Waarschijnlijk gingen de overgebleven bezittingen over op de Joodse gemeente van Monnikendam, waar de drie overgebleven gezinnen uit Edam onder kwamen te ressorteren.

Terug naar onze Thoramantel (die overigens zeer eenvoudig is uitgevoerd) het wordt een beetje gissen, maar het zou als volgt gegaan kunnen zijn. In 1779 zijn er meer dan 10 mannen en ontstaat de eerste gemeente dus een Thorarol en Thoramantel. Stel dat zo’n beschermende mantel ongeveer 50 jaar meegaat, dan is er omstreeks 1830 weer een gemaakt, waarschijnlijk deze. Dan klopt de datering midden 19e eeuw aardig.

In 1886 gaat men naar Monnikendam en ter gelegenheid van deze nieuwe behuizing wordt er weer een nieuwe mantel gemaakt. De oude mantel belandt op de een of andere manier met nog wat andere zaken zoals een chanoekalamp bij de plaatselijke overheid. In 1895 wordt het museum gerealiseerd en heel veel gemeentelijke inventaris verhuist naar het museum en depot. De chanoekalamp hangt al heel lang in het museum, maar de Thoramantel raakt in de vergetelheid. Het is bijna een wonder dat hij bewaard is gebleven, maar nu hij weer herkend is gaan we er weer goed op passen.

bron: Joods Historisch museum

De Joodse gemeente van Edam 1779-1886 door F.Schoonheim

 

Oud Nieuws columnOud Nieuws columnOud Nieuws Column

 

 

 

Twee objecten van Delfts aardewerk

Uit de vaste collectie van het Museum. Delfts aardewerk behoort tot de belangrijke Nederlandse prestaties uit de 17e en 18e eeuw, toen men erin slaagde om plateel te maken, dat in kleur, vorm en decoratie het Oosters porselein benaderde. Veel particulieren en musea, in eigen land en daarbuiten, hebben in de laatste I50 jaar verzamelingen ervan aangelegd. Het Edams museum heeft de meeste objecten uit schenkingen verkregen.

Links een puntgave blauwgedecoreerde kwispedoor met tekst datum en merk aan de onderzijde. Deze spuugbak voor pruimende heren is in opdracht gemaakt voor Marten gerritsz Mars in het ‘jaar onzes Heren 1742’ Aan de onderzijde gemerkt met de letter D en het getal 13, is de kwispedoor waarschijnlijk gemerkt door Zacharias Dextra, eigenaar van de platteelfabriek De Drie Vergulde Astonne Delft 1721-1757.

De wonderlijke lettercombinatie van het rechterobject, een wandbord uit de tweede helft van de 18e eeuw is moeilijker te duiden. Mijn gedachten gaan uit naar schenking van een godsdientig gereformeerd gezin. Katholieken hadden meestal een kruisbeeld of Christusbeeld in huis. Dit bord doelt op de alom aanwezige God en op de verantwoording die men over het leven moet afleggen. Van de middelste letter naar rechts: G(od) W(eet) A(lles); naar boven: G(od) H(oort) A(lles); naar beneden: G(od) S(iet) A(lles); naar links: G(od) K(ent) A(lles)

 

Oud Nieuws column

 

 

 

Bijzondere tabaksdoos

uit de expositie Volkskunst in Waterland (2008), welke niet alleen gebruiksvoorwerpen uit het depot van het Edams Museum toonde, maar ook uit particulier bezit. Uit die laatste categorie is één voorwerp zo bijzonder dat daaraan in deze rubriek aandacht besteed wordt. Het betreft hier een tabaksdoos die is vervaardigd in opdracht van Pieter Holm, een Zweed. Hij werd geboren omstreeks 1685 en ging al vroeg naar zee. Rond 1720 zette hij een punt achter zijn zeemanscarrière en vestigde zich in Amsterdam. Daar begon hij een winkel, annex schooltje, voor aankomende zeelieden. Op de gevel stond "Regt Door Zee" en daarmee was de eerste zeevaartschool in Amsterdam een feit.

Bodebussen

Ook een museum als het Edams Museum is voortdurend op zoek naar zaken die de aanwezige collectie kunnen aanvullen en verbeteren. Daarbij moet men ook wel eens wat geluk hebben en dat hadden we in 2009. Drie ‘ontdekte’ Edamse bodebussen. De middelste, getoond met hanger, is de oudste: vermoedelijk 17de eeuws.



 foto Periodiek Oud Edam


Onder een bodebus verstaat men een onderscheidend ambtelijk versiersel of draagteken. Het was in vroeger tijden een onderscheidingsteken, dat gedragen werd door boden in dienst van bestuurslichamen, zoals de Kamers der Staten Generaal, de Provinciale Staten, Gemeentebesturen, Hoogheemraadschappen, Waterschappen en Polders. In eerste instantie denkt men bij dit woord aan een soort bus. Terecht. De geschiedenis van de bodebus gaat terug tot in de vroegste middeleeuwen. Bodes die berichten moesten overbrengen droegen deze handgeschreven en soms fraai gekalligrafeerde stukken voorzien van het zegel van de opdrachtgever in een bus aan de gordel. De bus droeg ook vaak het wapen van de opdrachtgever. Bus is afgeleid van het Griekse „pyxis", oorspronkelijk een palmhouten doos, in het christendom een kelkvormig vat waarin de hosties bewaard worden. Soms droeg een bode een staf, wanneer hij op reis ging. Amsterdam heeft nog een dergelijke bodestaf. Vaak kon de bode, kenbaar aan zijn bodebus, gratis gebruik maken van het toenmalige openbaar vervoer, zoals trekschuit, veerpont of diligence. Vanaf de vijftiende eeuw werd aan de bodebus een schildje toegevoegd met het wapen van de instantie, die de bode vertegenwoordigde. Waarschijnlijk is toen ook de scheiding tussen bus en versiersel begonnen. Ook voor het versiersel bleef het woord bus gehandhaafd. De bus met papieren zou later een leren tas worden.

Tegenwoordig dragen de bodes van de gemeente Edam-Volendam op hun revers een draaginsigne met het gecombineerde gemeentewapen als teken van hun functie.

Terugkerend naar onze drie verguld zilveren bodebussen: twee vertonen grote overeenkomsten, de derde wijkt sterk af. Die meest afwijkende is het oudste exemplaar, mogelijk is dit een 17e eeuwse bodebus en afkomstig uit het oude stadhuis (< 1737). Helaas is de oorspronkelijke zilversmid niet meer te achterhalen, want na een reparatie heeft zilversmid Gijsbert van der Klos (1776-1812 ) uit Amsterdam zijn merk precies over de oude keur geslagen.

De tweede bodebus is waarschijnlijk gemaakt ter ere van het nieuwe stadhuis in 1737. Edam heeft bij mijn weten in de 19e eeuw nooit meer dan twee bodes gehad, dus zal de oudste bus wel in onbruik geraakt zijn. Het blijft gissen want de twee jongere bussen dragen weliswaar het merk van zilversmid Hermanus Lintveld (1797 - 1812) uit Amsterdam, maar ook hier zitten oudere merken onder. Op de hangers van deze twee staat het meesterteken van zilversmid Wouter Wylacker ( 1753-1807 ) eveneens uit Amsterdam. Opvallend is dat op de twee jongste bussen het stadswapen niet alleen aan de bovenkant wordt vastgehouden door een leeuw, maar ook aan weerszijden vastgehouden wordt door twee omkijkende leeuwen. Dat is niet conform de regels. Maar elders in Noord-Holland werd daar door sommige gemeenten ook wel van afgeweken. Het stond mogelijk wat interessanter en voornamer. Het ligt wel in de lijn der verwachting dat de bussen in Amsterdam gemaakt zijn, want er was veel briefwisseling tussen beide steden en Amsterdam had veel goede zilversmeden. Ook in Edam was in 1663 een gilde van zilversmeden opgericht, maar werk van deze ambachtslieden is niet of nauwelijks bekend. Dit gilde is daarna mogelijk in verval geraakt. Slechts een zilveren lepel van voor 1700 is bekend.

In 1734 wordt echter gesproken over een nieuw gilde. Er is kennelijk weer leven in de brouwerij en voor het jaar 1734 wordt de jaarletter P vastgesteld. Zo kort voor de bouw van het nieuwe stadhuis is het goed denkbaar dat een plaatselijke zilversmid de opdracht heeft gekregen voor het maken van een bodebus.

Na een constructief gesprek met onze burgemeester, de heer W. Verbeek, liggen de bodebussen niet meer in het stadskantoor maar in het Edams museum waar iedereen ze kan bewonderen.

page loading